Huisman counseling
“ maak ruimte voor jezelf ”

RSI heeft fysieke én psychische kanten.

Wat is RSI, hoe krijg je het hoe kom je er vanaf. Zodra je last krijgt van RSI ga je over die vragen nadenken. Je hebt pijn aan armen, nek en schouders. De aandoening wordt daarom ook wel KANS genoemd (Klachten aan Armen Nek en Schouders). Je krijgt het van herhaalde kleine bewegingen, zoals het werken aan een computer. Maar ook musici, kappers en tandartsen kunnen er bijvoorbeeld last van krijgen.

Zo’n 10 jaar geleden had ongeveer 25% van de beroepsbevolking klachten. Er worden ook wel getallen genoemd van 50% van de beeldschermwerkers. Veel mensen komen er vrij gemakkelijk weer vanaf. Door beter te zitten, een ander toetsenbord te gebruiken, meer pauzes te nemen en/of te fitnessen. Bij sommigen echter verloopt het genezingsproces moeizaam, met de kans dat het chronische wordt.

Informatie over de kenmerken van RSI zijn makkelijk te vinden. Het is echter niet zo gemakkelijk om antwoord te vinden op vragen als wat er nou eigenlijk gebeurt in het lichaam, waar de pijn vandaan komt en waarom het soms zo moeilijk is om er vanaf te komen.

De literatuur over RSI laat twee soorten onderzoek zien. Onderzoeken naar wat er fysiek gebeurt en onderzoeken naar de rol van psychische factoren.

Wat gebeurt er fysiek

Wat betreft de fysieke kant zijn de ideeën over triggerpoints interessant. Triggerpoints zijn een soort knopen in de spieren en ze zijn met de hand te voelen. Ze bestaan uit microscopisch kleine verdikkingen in de spieren. Die kleine verdikkingen drukken op de omringende spiervezels en zo ontstaan er ‘knopen’. In de microscopisch kleine delen van de spieren vindt normaal steeds een spannen en ontspannen plaats, waardoor het bloed naar de weefsels gaat. Als dat spannen en ontspannen te vaak, te veel en met spanning plaats vindt, dan houdt het ontspannen op. Er komt minder bloed en de afvalstoffen hopen zich op.

Deze beschrijving van triggerpoints klopt voor mij met wat je als RSI-patiënt voelt. Triggerpoints doen erg zeer als je er op drukt en ook als je de spieren rekt of samentrekt. Er ontstaat bovendien spierzwakte en de neiging om minder te bewegen om geen pijn te voelen.

Vanuit de inzichten over triggerpoints is het begrijpelijk dat ze ontstaan door kleine snelle herhaalde bewegen. Ook geeft het inzicht in de werking van therapie en oefeningen. ‘Bewegen’ en het rekken van spieren helpen beide om het pompmechanisme, dat leidt tot doorbloeding, weer op gang brengen. Ook diepe ontspanning die doorwerkt tot diep in de spieren, helpt. Maar het is ook zo, dat als je te veel van de spieren vraagt, de spanning in die knooppunten weer toeneemt. Naast oefeningen die je zelf kunt doen zijner ook verschillende methoden om triggerpoints te laten behandelen. Er is ook bewijs gevonden dat dergelijke behandelingen werken.

De psychische kanten

Naast de fysieke kant spelen psychische spanningen een rol. Psychische spanning/ stress werkt door in de spieren. Bij onderzoek naar de psychische kant van RSI vindt men twee belangrijke factoren: ‘perfectionistisme’ en ‘pijnervaring’. Mensen die RSI krijgen en er moeilijk van af komen zijn vaker perfectionistisch en ze ervaren vaak ook de pijn als iets ergs dat hen overkomt. Deze onderzoeksresultaten zijn geen echter geen harde 'wetten'. RSI komt wat vaker voor bij mensen die perfectionistich zijn. Het is niet zo dat perfectionisme leidt tot RSI, maar de kans dat je het krijgt is wel groter. 

Dat perfectionistische mensen meer kans hebben op RSI, lijkt logisch: ze doen erg hun best om het werk goed te doen en die spanning zorgt er voor dat de spieren in de RSI- stand komen. Dat ‘angstgevoelens bij pijn’ een belangrijke rol spelen is lastiger te begrijpen. In de onderzoeksliteratuur wordt gesteld “Bij het aanhouden van de klachten speelt de manier waarop men de klachten beleeft een grote rol”. Er wordt gevonden dat het moeilijker wordt om van de pijn af te komen door ‘meer angst voor pijn’, ‘meer negatieve gedachten over de pijn’, ‘meer verdriet over de pijn’. In de hersenen ontstaat een reflex, waardoor de gebieden die pijn verwachten, actief worden. Zo kan de pijn zichzelf in stand houden. 

Naast behandeling van de triggerpoints is het dus ook belangrijk om aan de psychische kant te werken. Er kan bijvoorbeeld gekeken worden naar het perfectionisme (of andere stress). Wat zit daaronder en hoe kun je op een meer relaxte manier in het leven staan. Het gaat daarbij niet om mindere kwaliteit leveren, maar om de spanning, die samenhangt met het ‘goed werk willen leveren’, te verkleinen.

Tegen het ‘vastzitten aan de pijnbeleving’, kan het helpen om eerst de pijn te accepteren en er vervolgens met meer rust naar te kijken. 

Een RSI patiënte vertelde dat zij de angst die De RSI opriep wat meer kon loslaten, toen zij enkele weken een grafiek bijhield van de pijnbeleving. Ze zag daarmee dat de pijnbeleving op en neer ging. Soms had zij iets gedaan, waardoor de pijn erger werd. “Stom, stom, stom” vond ze dat en de angst dat de pijn nooit over zou gaan, nam toe. Soms zakte de pijn ook weer wat af. Het zien van die op en neer gaande lijn, gaf opeens rust. De ontdekking was dat ‘op en neer gaan’ er gewoon bij hoorde. Dat het niet zo stom was als het eens een dag wat erger werd. Het was een hele opluchting en zorgde voor ontspanning. Daarmee was een deel van de angst verdwenen. De fysieke oefeningen bleken daarna langzamerhand voor verbetering te zorgen.

“Genezen” van RSI vraagt om een ‘multidisciplinaire’ aanpak. Op de site van de RSI-vereniging staat te lezen dat je zelf de regisseur bent van je genezingsproces. Dat je moet onderzoeken wat je past en wat helpt. Naast het aanpakken van de fysieke kant is dat ook: werken aan de psychische kant en mediteren om te ontspannen. Meditatie brengt zowel fysieke als psychische ontspanning. Niet iedereen wil echter werken aan de psychische kanten van RSI. Uit een onderzoek bleek dat sommige mensen niet mee wilden doen aan een RSI-programma, omdat ze het te ‘psychologisch’ vonden. Echter de mensen die wel meededen vonden de psychologische onderdelen, juist het meest effectief. “Het leren omgaan met de klachten en het krijgen van meer zelfinzicht zorgt voor vermindering van (pijn)klachten en beperkingen in het dagelijks leven en heeft daarmee een positief effect op de terugkeer naar werk”.

Gebruikte literatuur

B.M. Blater, P.M. Bongers, J.H. van Dien, P.M. van Kempen, H. de Kraker, H. Miedema, C.N. Reijneveld, H.C.W. de Vet. (2004). RSI-maatregelen: preventie, behandeling en reïntegratie Programmeringstudie in opdracht van de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport . 

http://www.muisarm.nl/publicaties/2004/TNO/naar/effectiviteit/RSI-maatregelen.pdf naar effectiviteit RSI-maatregelen. Last accessed 14-01-2014.

C. Bron, A. de Gast, J. Dommerholt, B. Stegenga, M. Wensing and R.A.B. Oostendorp. (2011). Treatment of myofascial trigger points in patients with chronic shoulder pain: a randomized, controlled tria. BMC Medicine. 9 (8),

J. J. Brunnekreef1,2, J. Oosterhof1,2, D. H. J. Thijssen, W. N. J. M. Colier4,5, C. J. T. Van Uden1,6. (2006). Forearm blood flow and oxygen consumption in patients with bilateral repetitive strain injury measured by near-infrared spectroscopy. Clinical Physiology and Functional Imaging. 26, (3), 178–184.

David Coggon, Georgia Ntani, Sergio Vargas-Prada, José Miguel Martinez, Consol Serra, Fernando G Benavides, Keith T Palmer  and other members of the CUPID Collaboration. (2013). International variation in absence from work attributed to musculoskeletal illness: findings from the CUPID study. Occupational and Environmental Medicine. 70(8) (August), 575–584.

M. D. F. van Eijsden-Besseling, F. P. M. L. Peeters, J. A. W. Reijnen and R. A. de Bie. (2003). Perfectionism and coping strategies as risk factors for the development of non-specific work-related upper limb disorders (WRULD). Oxford JournalsMedicine Occupational Medicine, . Volume 54 (2), Pp. 122-127.

M. D. F. van Eijsden-Besseling, (2010). Risks and recommendations in WRULD. Maastricht: Datawyse / Universitaire Pers Maastricht.

R. H. Gracely, M. E. Geisser, T. Giesecke, M. A. B. Grant, F. Petzke, D. A. Williams and D. J. Clauw. (2003). Pain catastrophizing and neural responses to pain among persons with fibromyalgia. Oxford JournalsMedicine Brain Pp. 835-843. 127 (4), Pp. 835-843.

N. I. R. Hugenholtz, E. M. Meijer, L. Vendrig, J. K. Sluiten, M. H. W. Frings-Dresen. (2004,). RSI-patiënten over multidisciplinaire behandeling. Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde. Volume 12 (8), pp 226-232.

Sullivan, Michael J. L.; Bishop, Scott R.; Pivik, Jayne. (1995). The Pain Catastrophizing Scale: Development and validation. Psychological Assessment, Dec 1995, 524-532.. Vol 7(4), Pp. 524-532.

J. E. Sarno's (1998). The Mindbody Prescription: Healing the Body, Healing the Pain.: Warner Books.

http://www.rsi-vereniging.nl/ januari 2014

D. G. Simons. (191). Myofasciale pijnsyndromen ’ Waar zijn we? Waar gaan we naartoe?. Stimulus March 1991, . 10 (1), 19-25.

G. Verswijer. (2007). Triggerpoints, "de prijs van onwetendheid". JIG. 23 (13), 158-165.

J. W.S. Vlaeyena, Steven J. Lintonc. (2000). Fear-avoidance and its consequences in chronic musculoskeletal pain: a state of the art. Pain. 85, (3), Pages 317–332.

 
   « Artikelen overzicht